Worstelende mannen

© Eliza Pepermans

De autobiografische burn-outroman: een beetje man die in de knoop ligt met zichzelf ontbloot vandaag al schrijvend zijn ziel. In Hallo muur en Een grootse mislukking doen midlifer Erik Jan Harmens en millennial Rutger Lemm hun relaas over dé ziekte van onze tijd. Beiden zijn pijnlijk eerlijk.

 

“Ik ga je een verhaal vertellen. Over hoe het een tijd niet zo goed met me ging, hoe ik veel ben gaan drinken totdat het zo donker werd dat ik geen hand voor ogen meer zag en hoe het heel veel later weer licht werd, nadat ik stopte met drinken. Het verhaal loopt goed af, al is het licht waarin ik sta wel wat fel. Het doet vaak zo’n pijn aan mijn ogen en dan mis ik de Westmalle Tripel, die het licht dimt en het geluid dempt en alles zachter maakt, ook de strelende hand van een vrouw.”

(uit Hallo muur van Erik Jan Harmens)

 

“Mijn eerste reactie was: hè, nee. Veel mensen in mijn omgeving hadden een burn-out gehad. (…) Hoewel ik meeleefde met de tragische verhalen over dagenlange huilbuien, pleinvrees en oververmoeidheid, kon ik niet voorkomen dat ik het altijd ook wat aanstellerig vond klinken. ‘Ja, ik ben volledig opgebrand door mijn artistieke vrijheid en de sociale druk van Facebook.’ Kom op zeg. Dat zou mij niet overkomen. En nu lag ik daar. Ik vond het allemaal zo ontzettend overdreven van mezelf.”

(uit Een grootse mislukking van Rutger Lemm)

 

Dichter en schrijver Erik Jan Harmens (1970) richt zich in zijn nieuwe roman tot de muur in zijn nieuwe huis, schuin tegenover dat van zijn ex en hun twee kinderen. In Hallo muur doet hij het relaas van de jaren die achter hem liggen; jaren waarin hij tot tweemaal toe een burn-out opliep, van zijn echtgenote scheidde, zijn vader verloor aan kanker, vrienden uit het leven zag stappen, en pas veel te laat korte metten met zijn drankprobleem maakt. Zijn helder neergeschreven dialoog met de stilzwijgende muur is biecht en zoektocht tegelijk; die van een 44-jarige man die zichzelf nuchter, maar alleen een weg door dit verwarrende bestaan baant.

Journalist en stand-upcomedian Rutger Lemm (1985) begint zijn debuutroman met een opheldering. Een grootse mislukking mag niet verward worden met zogenaamde ‘faalliteratuur’, waarin gevierde schrijvers zichzelf na een moeizame start een literair schouderklopje geven om hun ‘mislukte’ schrijverschap. Maar al te vaak wordt dat falen achteraf geromantiseerd als een noodzakelijke tussenstap op weg naar het grote succes, waardoor het volgens Lemm geen echt falen meer is.

Zelf scoorde Lemm jarenlang op feestjes met hilarische anekdotes over al zijn vernederingen. Tot een burn-out hem dwong naar de realiteit achter dat falen te kijken. Lemm beweert dat zijn burn-out hem ‘de schoonheid van imperfectie’ deed inzien en wil daarom openhartig verslag doen van zijn grote en kleine falen, in de hoop dat het anderen kan inspireren tot meer eerlijkheid over hun imperfecties.

Het resultaat is een bundel essays over uiteenlopende thema’s als Lemms porno-verslaving (die eerder al verscheen in Vrij Nederland), zijn mislukte carrière als stand-upcomedian en zijn onbevredigde behoefte aan politiek engagement.

Behalve een burn-out delen de twee schrijvers vooral de gevaarlijke combinatie van een vlotte pen, torenhoge ambitie en de onverbloemde droom van het Grotere Schrijverschap.

Ook de kleine kantjes die voortkomen uit al die ambitie hebben ze gemeen. Harmens legt erg precies de vinger op de zere plek: “Ik zeg dat ik heus wel een boek kan schrijven waarvan 100.000 exemplaren verkocht worden, maar dat ik dat niet wil. (…) Ik zeg zoveel. Alleen maar woorden die uit mijn mond rollen. Woorden, woorden, woorden. (…) Ik begin met praten. Het eerste woord zal wel ‘ik’ zijn.”

Wanneer Harmens later zijn eigen naam intikt op Google en vervolgens ontgoocheld ontdekt dat de laatste keer dat iemand hem op het internet vernoemde een maand geleden was, weet je niet goed of je nu moet lachen of toch eerder ongemakkelijk grimassen.

Enig narcisme is ook Lemm niet vreemd. In Een grootse mislukking vertelt hij hoe hij van kinds af gefascineerd is door zijn eigen persoontje. Zo voert de kleine Rutger tijdens gezinsmaaltijden telkens het hoge woord terwijl hij zichzelf uitgebreid in de eetkamerspiegel bewondert. Wanneer hij tot zijn grote teleurstelling op zijn achttiende nog altijd niet beroemd is, besluit hij maar journalist te worden: “Interviewen was een goed begin; zo kon ik als spion het domein van de roem binnensluipen.”

 

Kwaaltjes en scheten

 

Hoezeer beide schrijvers ook door zichzelf geobsedeerd zijn, even nietsontziend zijn ze bij het beschrijven van de eigen fysieke tekortkomingen. Er bestaat geen gênant lichamelijk kwaaltje dat niet door Harmens en Lemm geschuwd wordt.

Keiharde scheten in bed ten gevolge van een overdadig drinkgelag, neuskeuteltjes die de verkeerde richting uitgeschoten worden, rughaar dat vrouwen afstoot: Harmens kent er alles van en schroomt niet dat grif toe te geven.

Ook Lemm verhaalt vrolijk hoe hij jarenlang niet kon klaarkomen in een hoofdstuk dat hij ‘Een man met een vrouwenprobleem’ heeft genoemd; in ‘Zittend plassen’ analyseert hij zijn onkunde om zich te ontlasten op een wc-pot die niet de zijne is.

Hoewel Lemm zich een uitstekende verteller toont die een onbenullige activiteit als het nuttigen van een groene smoothie met het grootste gemak omtovert in semitragisch, semihilarisch leesvoer (de smoothie blijkt achteraf koude erwtensoep te zijn), blijven de scherpe, spaarzame woorden van Harmens langer nazinderen.

Harmens is bovenal een dichter en dat zie je aan zijn proza: ritme en herhaling zijn cruciaal, er staat geen woord te veel. Verder schakelt hij voortdurend heen en weer tussen de periode waarin hij al enige tijd droogstaat en de periode waarin hij zichzelf non-stop laveloos zuipt. Ook al verklapt Harmens de afloop al aan het begin, zijn minutieuze spanningsopbouw maakt Hallo muur alsnog een roman die je in een ruk moet uitlezen. Een grootse mislukking is fragmentarischer; een verzameling scherpe essays in columnstijl waarvan je af en toe eentje leest, hardop grinnikt en tegelijk diep zucht om vervolgens verder te gaan met wat je bezig was.

Maar het grootste nuanceverschil bevindt zich eigenlijk al op de omslag van de twee autobiografische burn-outromans. Bij Rutger Lemm leest de ondertitel: ‘Waargebeurde verhalen over perfectie en falen’. ‘Verslag van een leven tot op de bodem’, staat daar bij Erik Jan Harmens.

Hallo muur laat je op een ongemakkelijke, haast rauwe manier rechtstreeks in Harmens’ hoofd vol gekmakende gedachten kijken. Het is een boek dat uit pure noodzaak geschreven werd: Harmens’ alcoholmisbruik deed hem meermaals op de bodem belanden.

Passages waarin hij cruciale ziekenhuistelefoontjes van zijn vader mist omdat hij veel te veel gedronken heeft en zichzelf na diens dood onderkotst na acht Westmalle Tripels, vier Duvels en nog een paar slaapmutsjes ‘omdat ik nu toch niet meer wakker gebeld ga worden’, kruipen diep onder je huid. Sterker nog, het doet je overwegen om dat vloeibare vergif net zoals Harmens voorgoed af te zweren; nooit wil je zelf zoiets mee hoeven te maken.

Terwijl Harmens nog steeds zijn volle aandacht bij het opkrabbelen van die vieze bodem moet houden, heeft Lemm de handen vrij om al eens literair te koketteren met zijn tekortkomingen.

Overigens, hoezeer hij aanvankelijk ook van leer trekt tegen ‘onecht’ falen als onderdeel van ultiem succes, zou zijn eigen boek wel eens in hetzelfde bedje ziek kunnen zijn. Want met een overwonnen burn-out, een stabiele liefde aan zijn zijde, en een literair debuut dat zijn journalistieke carrière extra ruchtbaarheid geeft, lijkt Lemm alsnog begonnen aan die steile klim naar de top.