
illustratie: Sterre Kranenburg
In Een zachte dood, onlangs hervertaald, beschreef Simone de Beauvoir het sterven van haar moeder. Het boek geldt nu als meesterwerk, maar kreeg destijds kritiek. Kun je over leed schrijven zonder het je toe te eigenen? Jana Antonissen, die zelf over haar overleden moeder schreef, vraagt het zich af.
“Haar neusvleugels waren smaller geworden, haar gezicht was nog verder ineengeschrompeld; het had een troosteloos bedroefde uitdrukking van onderworpenheid.”
Frankrijk, jaren zestig. De verhouding van de vrijgevochten schrijfster, filosofe en feministe met haar vrome verwekster is, mild uitgedrukt, moeilijk. In haar zichzelf wegcijferende en daardoor verbitterd geraakte moeder – “haar leven lang lichtgeraakt en rancuneus” – had de Beauvoir vooral een anti-voorbeeld gezien.
“Blij met mijn successen, maar pijnlijk getroffen door de aanstoot die ik in haar kringen gaf”, zo voelde haar moeder zich tegenover haar, de oudste dochter die wereldfaam vergaarde met het feministische manifest De Tweede Sekse en een veelbesproken open relatie met collega-schrijver en filosoof Jean-Paul Sartre onderhield.
Wanneer moeder de Beauvoir op 78-jarige leeftijd met een gebroken heup in het ziekenhuis belandt treden complicaties op. Een kwaadaardige tumor wordt ontdekt; kanker. Moeder ligt op sterven. Alleen weet ze dat zelf niet.
Haar leven lang had Françoise de Beauvoir een panische angst voor kanker, en een “animale afschuw” van de dood. Simone en haar zus willen hun moeder sparen.
Moeder heeft een buikvliesontsteking, houden de dochters haar op aanraden van de dokters voor. Die leugen leidt een wekenlang bedrog in: de operatie is goed verlopen, dra zal ze beter zijn, nee echt, die helse pijnen verdwijnen weer, het hoort allemaal bij het herstel.
Ondertussen takelt moeder in snel tempo af. De Beauvoir gruwt onverholen van haar moeders verdorde lichaam; “een armzalig, weerloos geraamte, betast en bewerkt door deskundige handen, waarin het leven alleen nog maar zinloos en lijdelijk leek te worden gerekt.”
De dochters Beauvoir zijn gezwicht voor de techniek. Zoals te voorzien was, merkt Sartre fijntjes op. De ethische vragen over levensverlenging die Een Zachte Dood opwerpt, zijn vandaag nog dwingender geworden.
Zo gaat Simone De Beauvoir steeds meer wroeging over haar “verraad” voelen.
“Als een alwetende boze geest kende ik de afloop van het spel, terwijl zij, heel in de verte, haar strijd streed in de eenzaamheid van de mens.”
Als existentialist was De Beauvoir ervan overtuigd dat ieder mens vrij is zijn leven zelf vorm te geven. Maar de schijnvertoning die zij nu voor haar moeder opvoert, stelt haar filosofie zodanig op de proef dat ze ook de wereld buiten het ziekenhuis als vals gaat ervaren.
“Ik was wanhopig onder iets dat mijn schuld was zonder dat ik ervoor verantwoordelijk was, en dat mij nooit kon worden vergeven.”
*
De verpletterende schuld die de Beauvoir tijdens haar moeders laatste weken voelt, wordt voorafgegaan door jaren waarin Françoise haar drukbezette dochter een schuldgevoel probeert aan te praten. Ze komt amper op bezoek, schrijft te weinig brieven, ze verwaarloost, kortom, haar arme moedertje.
“Ik protesteerde”, schrijft de Beauvoir in Een Zachte Dood, “we hadden elkaar intussen nog gezien, en vanuit Rome had ik geschreven. Ze luisterde met een ongelovig gezicht naar me.”
Schuld werkt in op het geweten. Schuld zoekt boete, verbetering.
Telkens ik mijn grootmoeder opbel, moet ik een scherp schuldgevoel doorslikken. Toegegeven, ik zie haar te weinig. Minder dan ik eigenlijk zou willen. Minder ook dan zij zou willen, daar laat ze geen twijfel over bestaan. Al is de manier waarop ze dat doet wel veranderd sinds mijn grootvaders overlijden.
In plaats van me aan te manen niet weer zoveel tijd te laten verstrijken sluit ze berichtjes nu af met een bedankje, herinnert me er zo aan hoeveel deugd het haar doet me te horen.
Mijn grootmoeder is geen vervanger voor mijn moeder, zelfs bij benadering niet. Maar ze is wel het dichtste dat ik in dit leven nog bij een moeder, bij mijn moeder, kom.
Er is een gat in onze generaties geslagen. Tussen mij en mijn grootmoeder gaapt een kwarteeuw aan gemis.
Het verdriet daarover was lang woordeloos. We herkenden elkaars leed als in een holle spiegel. Wat we zagen leek te groot, te veel, te pijnlijk. We wilden elkaar sparen.
Of zoals Simone de Beauvoir schrijft: “als iemand die ons dierbaar is van ons heengaat, boeten wij met schrijnende spijt over duizend-en-één dingen voor het feit dat wij nog leven.”
Zo’n drie jaar geleden vonden mijn grootmoeder en ik voor het eerst enkele woorden.
Dat verrassend open gesprekje was zo waardevol dat ik erover moest schrijven. Eerst deed ik dat in een column, later verwerkte ik een gefictionaliseerde versie in mijn roman.
Of mijn grootmoeder dat gelezen heeft, weet ik niet. Soms denk ik van wel, dan weifel ik.
Ik vraag er haar niet naar. Het voelt toch een beetje alsof ik iets ongehoords heb gedaan.
Ontneem je een ander zijn beleving als je jouw impressie ervan publiceert?
*
Na de dood van haar moeder – de Beauvoir was toen zelf halverwege de vijftig – smeet het boegbeeld van de tweede feministische golf zich op het schrijven van Een Zachte Dood.
Ze had tijdens haar moeders ziekte een dagboek bijgehouden en nu, moederloos, had ze nog nooit zo’n sterke drang gevoeld het leven te overdenken met haar pen, aldus biografe Kate Kirkpatrick.
Het schrijven gaf haar troost, zei ze zelf, dezelfde troost als het gebed een gelovige geeft.
In 1964, amper een jaar na haar moeders heengaan lag het boek in de rekken.
Sommige journalisten beschuldigden haar ervan het lijden van haar moeder evenals haar eigen verdriet te vermarkten. Ze citeerden zelfs een chirurg die beweerde dat De Beauvoir aantekeningen had zitten maken aan het bed van haar moeder omdat ze ‘materiaal’ wilde verzamelen. Het was niet de eerste keer dat haar verdorvenheid aangewreven werd.
In haar essay Que peut la littérature? – oorspronkelijk geschreven voor een druk bijgewoonde conferentie over de confrontatie tussen de nouveau roman en de littérature engagée, waartoe De Beauvoir en Sartre behoorden – reageert De Beauvoir op de ophef.
Ze stelt dat haar meest recente schrijven over wanhoop en dood sterk bekritiseerd was geweest in de naam van sociaal optimisme. Weliswaar had ze recht op haar angsten over de verschrikkingen van de dood, zo luidde de kritiek, maar ze moest er de lezer niet mee lastigvallen.
“Een tegenslag die woorden vindt om zich uit te drukken, sluit ons niet langer op in onszelf en is daardoor minder ondraaglijk”, verdedigde De Beauvoir zich, “we moeten spreken over mislukking, afschuw en de dood, niet om onze lezers tot wanhoop te drijven, maar juist om hen van de wanhoop te redden.”
Voor De Beauvoir was taal een vorm van actie en literatuur een manier om ’s werelds waarheden bloot te leggen. Het doel daarvan was verbinding.
“Ik geloof dat dit een van de absoluut onvervangbare en essentiële taken van de literatuur is”, aldus nog De Beauvoir, “ons helpen met elkaar te communiceren via datgene wat het meest eenzaam in onszelf is en waardoor we het meest intiem met elkaar verbonden zijn.”
*
Tien jaar geleden schreef ik voor het eerst over het verlies van mijn moeder.
Een verdriet dat niet alleen van mij, maar ook van mijn vader, broer, zus, grootmoeder, en ga zo maar door is. Ook haar sterven was een gedeeld gebeuren, gezien we met het hele gezin in de wagen zaten toen die over de kop ging.
Mijn verhaal over dat ongeval maakte heel wat los. Voor mezelf, voor wie erbij betrokken was, en voor wie zich erin kon herkennen.
Aanvankelijk wilde ik het niet schrijven. Ik was boos, beledigd misschien ook wel, dat de hoofdredacteur mij dit gevraagd had. Maar mijn vader vond het geen slecht idee. Hij dacht dat ik me er wel aan kon wagen. Hij kende de kracht van woorden vinden voor het onzegbare.
Voor mijn broer en zus was het bevreemdend.
“Het is ook míj́n ervaring”, flapte een van hen eruit nadat het verhaal verschenen was.
Ik snapte het wel. Zij waren destijds nog jonger dan ik, hadden nog minder of op z’n minst andere herinneringen aan dit fatale sleutelmoment uit ons verleden. Nu mijn versie ervan openbaar gemaakt was, voelde het waarschijnlijk alsof die van hen overschreven werd.
Schrijvers zijn nestbevuilers. Zoals de gretig geciteerde dichter Czeslaw Milosz zei: “als in een gezin een schrijver wordt geboren, dan is het gedaan met dat gezin.”
Niet toevallig is de eveneens moederloze protagoniste van mijn debuutroman enig kind.
Tegelijk vormde dat verhaal met enige vertraging wel een startpunt voor een gesprek dat in mijn gezin nog steeds gaande is. Een gesprek over het meest eenzame in onszelf.
*
“Ik vertelde Sartre over mijn moeders mond zoals ik die ’s ochtends had gezien, en over alles wat ik daarin las: onderdrukte gulzigheid, bijna slaafse deemoed, hoop, angst, onuitgesproken eenzaamheid – de eenzaamheid van haar dood, de eenzaamheid van haar leven. En mijn eigen mond gehoorzaamde mij niet meer, zei hij; ik had moeders mond op mijn gezicht, en bootste onwillekeurig haar bewegingen na.”
De wanhoop die De Beauvoir voelt bij haar moeders nakende heengaan, verbijstert haar. Ten slotte had ze geen traan gelaten toen haar vader stierf.
Maar, zo begrijpt ze, ze treurt niet alleen om de dood, maar ook om het leven van haar moeder. Ze treurt om alle offers die haar moeder maakte voor haar voortdurend vreemdgaande man en haar twee opgroeiende dochters, voor de levenslust die ze onderdrukte om in het keurslijf van de conventie te passen.
Moeder de Beauvoir was controlerend en opdringerig. Wanneer haar dochters met vrienden op stap wilden nodigde ze zichzelf schaamteloos uit. Ze verbood hen te leren fietsen en zwemmen, zodat ze afhankelijk bleven.
Maar in die ziekenhuisweken in november 1963 ontstaat een nieuwe tederheid tussen moeder en dochter. De Beauvoir ervaart berusting, een zekere vergevingsgezindheid.
“Het lag niet in mijn macht moeder haar ongelukkige jeugd te laten vergeten”, zo schrijft ze, “en zij was daardoor gedoemd mij ongelukkig te maken en daar op haar beurt weer onder te
lijden.”
Een Zachte Dood start in een hardvochtig realisme. Elk ziekenhuisbezoek, elke ingreep en elke verzuchting van de zieke moeder worden zo uitvoerig en schijnbaar gevoelloos opgeschreven dat ik een aan langdradigheid grenzende weerzin voelde. Maar gelijk oplopend met de hervonden connectie evenals de voor de deur staande dood wordt het boek existentiëler, emotioneler.
Dat ik meer en meer met De Beauvoir meevoelde, was echter geen effectbejag. De schrijfster trekt niet ineens de sentimentele kaart. Integendeel, haar toon blijft zakelijk, haar taal al bij al eenvoudig en haar stijl steeds schipperend tussen het subjectieve en objectieve.
Net door die beheerste helderheid komen de onderliggende, duidelijk diep doorvoelde emoties des te harder binnen; als een langs achter toegediende hamerslag.
*
“Het was zo verwacht en zo onvoorstelbaar, dit lijk dat in plaats van moeder op bed lag”, schrijft De Beauvoir wanneer haar moeders lijdensweg eindelijk ten einde is.
“Haar hand en haar voorhoofd waren koud. Het was nog steeds moeder, en tegelijk voorgoed iemand die er niet meer was.”
Zelf heb ik mijn moeders levenloze lichaam na het ongeval niet meer gezien. Mijn vader wel.
Ze hadden haar gewassen, vertelde hij later, en zo goed mogelijk opgeknapt. De verwondingen die te groot waren om met make-up te verdoezelen met vestimentaire trucjes verstopt. Dus droeg mijn moeder een tulband toen mijn vader haar voor het laatst zag.
Zij was het en tegelijk ook niet, zag hij. Iets essentieels was verdwenen. Het was akelig, maar zonneklaar. Ze was weg.
Mijn vader wilde niet dat wij haar zo zouden herinneren. Daarbij dacht hij dat het voor jonge kinderen onbegrijpelijk zou zijn, de dood.
Wellicht is dat zo, in een samenleving waarin sterven steeds strikter van het leven gescheiden wordt. Verval en verscheiden zijn vandaag privéaangelegenheden die zich bij voorkeur in een gesteriliseerde kamer voltrekken. (misschien kan literatuur inderdaad helpen deze kloof te overbruggen?)
Soms stel ik me voor dat ik mijn moeder toch nog even had gezien, met die tulband op. Misschien had die aanblik me inderdaad de stuipen op het lijf gejaagd. Of misschien had ik iets beter gevat wat dat nu eigenlijk inhoudt, doodgaan.
Waarschijnlijk valt er weinig te doorgronden. Des te meer reden, denk ik dan, om erover te blijven schrijven. En lezen.
Literatuur mag dan een manier zijn om waarheden te onthullen, ze is ook een manier om ons staande te houden wanneer er geen waarheid is. Of toch geen die wij hier en nu kunnen kennen.
*
Een palliatief verpleger die voorheen op de spoeddienst werkte hoorde ik eens verkondigen dat op de gezichten van gestorvenen te zien is of ze tijd hadden zich voor te bereiden. Mensen die plots uit het leven weggerukt waren, zouden vaak grimassen. En mensen die in volle wetenschap van wat komen ging hun laatste adem uitbliezen, zouden geneigd zijn te glimlachen. Sommigen zelfs ronduit gelukzalig, zo meende hij.
Ik vermoed dat De Beauvoir daar vraagtekens bij zou plaatsen. In Een Zachte Dood komt ze namelijk tot de conclusie dat zelfs voor mensen die zogezegd op een leeftijd zijn om te sterven, zoals haar moeder, de dood een ongeval is.
“Je gaat niet dood omdat je bent geboren, of omdat je hebt geleefd, of van ouderdom.
Je gaat aan iets dood. (…) Er bestaat geen natuurlijke dood: niets van wat de mens overkomt is ooit natuurlijk, omdat zijn aanwezigheid de wereld op losse schroeven zet.”
Als een natuurlijke dood onmogelijk is, dan mogen we de hoop op een zachte dood wel laten varen, stelt dit boek met haar gelijknamige titel die ironisch blijkt.
Maar net dat maakt het – ook weer ironisch – bijzonder beklijvende literatuur.