Ja, ik wil… toch niet – essay: het afgelaste huwelijk

beeld Femke van Heerikhuizen

 

Een huwelijk afzeggen is ondanks stijgende echtscheidingscijfers behoorlijk taboe, ondervond Jana Antonissen. Waarom blijven we relatiebreuken toch als mislukkingen beschouwen? En waarom houden we dat archetype van de gebroken vrouw zo graag in stand?

 

Enkele dagen voor mijn afgelaste trouwfeest droomde ik dat ik een kermisattractie uitbaatte. Een schietkraam met ballonnen noch blikjes; bezoekers mikten op mijn ongedragen trouwjurken. Ik had er heel wat: een klassieke japon met sleep, een minirok met matchende top, een mantelpakje, zelfs een kostuum.

De onbekenden die mijn kraam bezochten, leken ervan te genieten de maagdelijke kledingstukken met een luchtbuks te bewerken. Ook mij gaf het een vreemde voldoening om die geperforeerde echtsgarderobe zo in de avondwind te zien wapperen.

Wit is welbeschouwd geen kleur. Wit is licht, wit is leegte, wit is wat je er zelf van wil maken. Dit wit was doorprikt. De nacht drong door de kleine, maar onmiskenbaar geschroeide gaten.

*

 

Vier jaar na onze eerste zoen en vier weken voor ons geplande huwelijk gingen mijn voormalige verloofde en ik uit elkaar. Een vriendin vertelde me dat de opeenvolging van 4’en volgens de allesbehalve wetenschappelijk onderbouwde discipline der numerologie een meestergetal is: een teken van het universum dat alles goedkomt als je je openstelt, loslaat, groeit.

Mij kwam het veeleer voor als een slechte mop van het universum. Een trouwpartij afzeggen voelt een beetje als overal verkondigen dat je de jackpot hebt gewonnen om later schoorvoetend te onderkennen dat je je van lotje vergiste. Te dicht bij de zon vliegen, verschroeien.

Ondertussen kan ik wel zeggen dat zo’n naderende huwelijksdatum een doeltreffende deadline is voor een tegenstribbelende relatie. We hadden het trouwfeest afgeblazen in de hoop dat het wat druk zou wegnemen, onze relatie ademruimte zou geven. Maar het omgekeerde gebeurde. Nu er geen façade meer opgehouden diende te worden was het makkelijker, misschien wel onvermijdelijk, toe te geven dat de problemen die ons zo ongelukkig maakten momenteel niet op te lossen waren. Dus gingen we uit elkaar.

Nu was dit niet mijn eerste spaakgelopen relatie. Maar bij het annuleren van een huwelijk, zo ontdekte ik, moet je behalve je eigen ideaalbeeld ook dat van je vrienden en familie opblazen. Onze samenleving heeft amper rituelen over. Huwelijken en begrafenissen zijn zowat de enige bijeenkomsten waarbij verschillende generaties en cirkels verenigd vieren dan wel gedenken.

Onze gasten hadden zich ontzettend verheugd op het feest; maanden van tevoren outfits en geschenken gekocht, vliegtuigtickets en logies geboekt. Niet weinigen van hen deelden ook het totaalbedrag van hun niet-terugbetaalbare kosten, alsof het essentieel was dat deze informatie mij bereikte.

Net zoals mensen destijds met 9/11 en later de Parijse of Brusselse aanslagen deden, herinnerden genodigden zich met gedempte stem waar ze zich hadden bevonden bij het vernemen van het nieuws. Eén vriendin was op Ibiza geweest, alwaar haar aangeschoten gezelschap vond dat ik het feest gewoon moest laten doorgaan, mijn verloofde voor het altaar laten staan. Zo hadden de gasten tenminste nog wat sensatie, waar voor hun geld.

*

Om een afgezegd huwelijk hangt iets ongehoords, alsof je op het marktplein een podium beklimt om voor het verzamelde dorp je vuile was buiten te hangen. Scheiden is tegenwoordig zo gewoon dat het haast meer gedoogd lijkt om ondanks relatieproblemen door te zetten met de nu eenmaal al georganiseerde trouwerij, en daarna pas uit elkaar te gaan. Hoeveel van deze verhalen bereikten mij de voorbije maanden wel niet; bijna iedereen bleek wel een vriend, zus, kennis of collega te bezitten die nog geen half jaar na het feest de echtscheiding aanvroeg.

Ik heb de verleiding van die oogkleppenaanpak ook gevoeld, het waanidee overwogen dat zo’n duur feest de kwakkelende relatie misschien wel een duwtje in de rug zou geven. Een geannuleerd huwelijk is dan ook niet zomaar een breuk: het is de koningin van het hartzeer. Gezichtsverlies zo groot dat het een bekroning verdient. Tenminste, dat dacht ik, en dus las ik het ook van anderen af.

Wezenlijk waren de reacties tweeledig. Ofwel werd mijn ongeluk onderstreept: dit was ongetwijfeld de zwaarste periode van mijn leven; hoe kon ik überhaupt nog rechtop staan, eten, lachen, schríjven?

Ofwel grimasten mensen alsof ze net wat hadden gegeten dat over de datum was, gooiden het gesprek snel over een andere boeg.

Een spiegel voor andermans angsten, dat was ik eigenlijk, een herinnering aan de inherente instabiliteit van menselijke relaties. Niets is zeker, zelfs geen verlovingsring om je vinger.

*

Nochtans weten we toch dat ook het ja-woord niet noodzakelijk meer voor het leven is.

‘Wat betekent de belofte van een permanente verbintenis als iedereen weet dat ze voorlopig is?’ schrijft Phyllis Rose in haar inleiding voor Parallel Lives: Five Victorian Marriages, een cultklassieker uit de jaren tachtig die onlangs heruitgegeven werd.

‘Ik ben geneigd te zeggen dat echtscheiding het huwelijk betekenisloos maakt, wat niet betekent dat ik zou willen dat er minder echtscheidingen waren, gewoon minder huwelijken.’

Parallel Lives neemt de huwelijken van bekende negentiende-eeuwse koppels, waaronder de verzuurde verbintenis van Charles Dickens en Catherine Hogarth en de legaal niet erkende, maar erg gelukkige relatie van George Eliot en George Henry Lewes, onder de loep.

Misschien wel de grootste verdienste van dit boek, aldus Sheila Heti, die het voorwoord voor de heruitgave schreef, is dat Rose via deze onderling erg verschillende verbintenissen aantoont dat elk huwelijk een vorm heeft die het individuele overstijgt, ‘net zoals elk mensenleven de kindertijd, volwassenheid, ouderdom en dood doorloopt’.

‘Een stel, of het nu gelukkig of ongelukkig is, is in essentie nog steeds iets dat samen hoort; ineen past’, schrijft Heti. ‘Dat wil zeggen, iemand in een goede relatie heeft meer gemeen met iemand in een ongelukkig huwelijk dan met een tevreden vrijgezel. Gekoppeld zijn verandert het bestaan in een steeds wisselende weergave van twee aparte, maar samen voortbewegende onderdelen.’

Voor de Matrimonial Causes Act van 1857 was scheiden enkel mogelijk via parlementaire tussenkomst: een affaire zo kostelijk en ongebruikelijk dat ze compleet buiten bereik van de middenklasse was. Maar ook nadien werden er in het victoriaanse Engeland amper huwelijken ontbonden. Volgens de wet van 1857 was overspel namelijk een noodzakelijke voorwaarde voor scheiding, en maar weinig victorianen wilden met deze opperzonde in de openbaarheid treden. Ook op seksueel vlak hadden de victorianen minder bewegingsruimte: van seks voor het huwelijk of anticonceptie was geen sprake.

Ondanks al onze vrijheid lijken wij vandaag niet per se gelukkiger in onze huiselijke relaties, merkt Rose, verwijzend naar echtscheidingsstatistieken, op.

Misschien, oppert ze enigszins uitdagend, waren die duidelijke spelregels zo slecht nog niet: ‘Onverbrekelijke verbintenissen met veel beschaafd gedrag – met andere woorden, heimelijkheid, of zelfs leugens ter wille van de lieve vrede.’

Victoriaans geldt nog steeds regelmatig als synoniem voor preuts, onderdrukkend of zelfs aseksueel. Voor een meer dan zestig jaar omspannende periode is dat een behoorlijk slordige veralgemening, en daarbij eentje die de schaduwzijde van zoveel door de overheid opgelegde vroomheid negeert.

Steven Marcus’ al in 1966 verschenen studie The Other Victorians, over seksualiteit en pornografie in negentiende-eeuws Engeland, suggereert dat de victorianen enorm veel seksuele energie supprimeerden in het belang van de beschaving. Velen leidden daarom een dubbelleven, in de vorm van homoseksuele orgieën of een geheim tweede gezin.

In sommige gevallen waren echtgenoten wel degelijk van elkaars escapades op de hoogte, maar knepen, voor de lieve vrede, een oogje dicht.

‘Het is al erg genoeg om één keer in je leven te kiezen met wie je wil samenleven’, vat Phyllis Rose samen, ‘maar om te blijven kiezen, je keuze dag na dag te bekrachtigen, zoals je moet doen wanneer het maatschappelijk mogelijk is om te scheiden, vergt heel wat van mensen.’

Geen oninteressant detail: Rose was zelf pas twee jaar gescheiden toen ze Parallel Lives aanvatte, maar hertrouwde, ondanks al haar feministische X-rays van het instituut huwelijk, enkele jaren na publicatie. Met haar tweede man is ze nu nog steeds samen.

Of zoals Oscar Wilde, bekend om de appetijt waarmee hij tegen de schenen van zijn victoriaanse tijdgenoten schopte, stelde: ‘Het huwelijk is de triomf van verbeelding over intelligentie. Het tweede huwelijk is de triomf van hoop over ervaring.’

 

*

Dat een breuk nog vaak als een persoonlijke mislukking wordt ervaren, merkte ik ook aan hoe anderen over hun liefdesverdriet spraken. De duur van het samenzijn noch de reden om uit elkaar te gaan leek af te doen aan de gevoelde gêne, die zich ook in de verwerking doorzette.

‘Het ergert me dat ik er nog steeds niet overheen ben’, zei een vriend afgelopen augustus over zijn meerjarige relatie, ‘we gingen godverdomme in april uit elkaar.’

Een vriendin verliet in de eerste dagen na de verbroken verhouding met de man die ze haar vriend had hopen te noemen haar bed niet. ‘Zoals een totale loser’, appte ze me.

Zou het kunnen dat in onze almaar meer geatomiseerde samenleving de romantische relatie, en bij uitbreiding het nucleaire gezin, zowat het enig overblijvende verbond is, waardoor zo’n breuk bijzonder existentieel wordt, bijdraagt aan het vervreemdende gevoel nergens meer bij te horen?

Dezelfde vriendin die zichzelf een sukkel noemde omdat ze treurde om haar spaakgelopen situationship vertrouwde me nadien toe dat ze na vijf jaar als vrijgezel gewoon zo graag weer eens verliefd wilde zijn.

Eerder dan aan welbepaalde mensen hechten we vaak aan de emoties die ze ons verstrekken: geborgenheid, bijvoorbeeld, of het gevoel gezien te worden.

Het stilzwijgen van haar smartphone vond mijn vriendin misschien nog het moeilijkste. Nu was er niemand meer die haar vroeg of ze goed geslapen had, wat ze aan het doen was, hoe ze zich voelde. Met andere woorden, er was geen getuige van haar dagelijkse leven meer. Bestond ze zonder zo’n nauwlettende observator wel?

Volgens Rose is elke relatie, en elk huwelijk helemaal, een narratief construct.

‘In ongelukkige huwelijken’, schrijft ze, ‘zie ik eerder twee versies van de werkelijkheid dan twee mensen die met elkaar in conflict zijn. Ik zie een strijd om de verbeeldende macht. Gelukkige huwelijken lijken mij die waarin partners het eens zijn over het opgevoerde scenario.’

Uit angst alleen te zijn een relatie aanhouden met iemand die er duidelijk een ander draaiboek op nahoudt, is volgens mij nog de grootste nederlaag.

*

‘Hoezo, het gaat niet door? En nu, wat ga je nu doen?’ Mijn grootmoeder deed geen moeite haar plaatsvervangende paniek te verhullen. We stonden aan mijn grootvaders sterfbed toen ze het nieuws vernam. Je zou denken dat zo’n afgelast huwelijk in het oog van de naderende dood onbenullig wordt, een voetnoot, maar niets bleek minder waar.

Het viel op dat de reacties die ik ontving een nerveuzere ondertoon hadden dan die van mijn voormalige verloofde. Hij werd om zijn besluitvaardigheid geprezen, mij werd de maat van mijn verwoesting genomen.

Het Ludovic de Saint Sernin-ensemble dat ik al aangeschaft had zou dan wel nooit als bruidsjurk gedragen worden, er stond een nieuw kostuum voor me klaar: dat van de gebroken vrouw. Als ik wilde, kon ik er zo in glijden. Generaties van vrouwen voor mij hadden de pasvorm geperfectioneerd.

Waarom had ik in de eerste plaats eigenlijk willen trouwen? In mijn vriendenkring waagt zelden nog iemand zich aan deze ongein. Het huwelijk zou achterhaald zijn, vrouwonvriendelijk, verstikkend.

Maar behalve romanticus ben ik ook koppig. Ik wilde mijn omgeving het tegendeel bewijzen. Uiteindelijk moest ik toch toegeven een kind van mijn tijd te zijn: enerzijds voortgedreven door het verlangen naar vrijheid en zelfontplooiing, anderzijds door oude, maar daarom niet minder hardnekkige ideaalbeelden.

‘Het huwelijk verschaft ons enorme collectieve opwindingen’, schreef semioticus en filosoof Roland Barthes, ‘als we erin zouden slagen het oedipuscomplex en het huwelijk de kop in te drukken, wat valt er dan nog te vertellen?’

Ik zag mezelf al naar een uit berkentakken en narcissen opgebouwd altaar schrijden, theatraal langzaam mijn sluier af gooien voor ons op het platteland verzamelde gezelschap, terwijl het klikken van alle camera’s oorverdovende proporties aannam.

Laten we wel wezen, het huwelijk is in de eerste plaats een feest van en voor de vrouw. Eén blik op de buitensporig veel geld binnen harkende bruidsindustrie volstaat om dat te zien. Op de trouwpartijen die ik zelf al bijwoonde, werd in zowat alle speeches de bruid geprezen om haar vlekkeloze voorkomen dan wel aangespoord ‘van haar dag te genieten’.

‘Ik vraag me af hoeveel moeilijker het zou zijn heterovrouwen de realiteit van het huwelijk te laten accepteren als ze niet eerst de fantasie ervan voorgeschoteld kregen’, schrijft Jia Tolentino in Trick Mirror. ‘Bruid worden betekent nog steeds de onderdanigheid in gevleid worden… voor een toekomst waarin jouw identiteit systematisch ondergeschikt zal worden aan die van je man en kinderen.’

Na het verschijnen van dit essay trouwde Tolentino overigens wel zelf, maar niet zonder eerst op Instagram te verkondigen dat ze het enkel voor de gedeelde gezondheidszorg deed en daar ‘erg geïrriteerd’ over was.

Als het huwelijk de belangrijkste dag uit het leven van een vrouw is, wat betekent het dan als deze dag doorgestreept wordt?

*

Net zoals je je kunt afvragen waarom ik eigenlijk wilde huwen, kun je je afvragen waarom ik dit nu opschrijf. Wel erg persoonlijk allemaal, toch?

In de literatuur evenals de journalistiek is de eerste persoon enkelvoud populairder dan ooit. Als verklaring daarvoor wordt weleens aangedragen dat we allemaal navelstaarders zijn, zelfingenomen. Daar is vast veel van waar, maar als mensen deze tekstuele inkijkjes in andermans leven niet zo zouden lusten, was die autobiografische golf al lang gaan liggen. We lijken meer vastberaden en tegelijk radelozer dan ooit in onze zoektocht naar aanwijzingen voor het goede leven.

Alleen worden persoonlijke essays zoals dit hier voornamelijk, indien niet uitsluitend, door vrouwen aangeleverd. Vooral verhalen over vrouwelijk verdriet, variërend van trauma’s als verlies of verkrachting dan wel vernederingen in de vorm van dagelijks seksisme of tegenvallende dates, worden gretig aangeklikt.

We leven nog steeds in een patriarchale maatschappij, maar wel eentje waarin een meer op individuele consumptie dan systemische verandering gericht feminisme goed gedijt. In deze cultuur is kwetsbaarheid zwak noch verachtelijk. Kwetsbaarheid is moedig, een strijdbaar goed. Tenminste, voor vrouwen.

Er is een reden dat mannen zelden uitgesponnen getuigenissen publiceren over hun toxische exen of onvervulde kinderwensen. Ze willen niet uitgelachen worden.

In het door popfeminisme in slaap gesuste patriarchaat is mannelijke kwetsbaarheid waardeloos en wordt haar vrouwelijke variant overgewaardeerd.

Een bijkomend probleem is dat veel van deze persoonlijke essays zich aan genderessentialisme bezondigen: persoonlijke tegenslagen worden nogal snel tot algemene waarheden verheven.

In haar in The Paris Review verschenen en viraal gegane essay The Crane Wife doorvlecht CJ Hauser het verhaal van haar verbroken verloving met een Japanse fabel over een kraanvogel die een man misleidt opdat hij met haar zou trouwen. Elke nacht plukt ze stiekem al haar veren, omdat ze weet dat hij niet van haar zal houden als hij ziet dat ze geen vrouw, maar een kraanvogel is. De moraal van het sprookje, aldus Hauser, is dat heteroseksuele relaties vrouwelijke zelfverloochening verlangen.

Er schuilt een pervers genot in dat vanzelfsprekende toe-eigenen van de slachtofferrol. Lui ook wel, en fatalistisch. De enig mogelijke verandering voor vrouwen in heteroseksuele relaties, zo lijkt de suggestie, ligt in de ontsnapping.

In haar essay beschrijft Hauser hoe ze haar ex na zijn met ironische The Bachelor-referenties doorspekte aanzoek vraagt waarom hij juist met haar wil trouwen. Omdat ze makkelijk is en graag bier drinkt, klinkt het, en waarschijnlijk ook geen slechte moeder zal zijn.

Als lezer word je tot opluchting gedwongen; goed dat ze van die holbewoner verlost is.

Mijn voormalige verloofde daarentegen was een attente partner tot hij dat, door omstandigheden, niet meer was. Ons verhaal was allesbehalve eenduidig, net zoals de werkelijkheid dat zelden is.

‘Als macht binnen het huwelijk het vermogen is je verbeeldende visie op te leggen en te laten zegevieren’, zo schrijft Rose, ‘dan is die macht makkelijker te verkrijgen als je een eenvoudig en algemeen aanvaard model voorhanden hebt.’

Mijn ex en ik waren niet monogaam, op het eind van onze relatie hadden we ieder nog een andere partner. Hoezeer het huwelijk een politieke ervaring is, machtsbeheer op microniveau, merkte ik ook in mijn tweede relatie.

Na de breuk met mijn voormalige verloofde was ik plots de alleenwonende en dus vrij beschikbare, jonge vrouw die een getrouwde man zag wanneer zijn gezin hem kon missen. Dat zijn vrouw ervan wist en geen bezwaar had, verminderde de benauwing van deze nieuwe dynamiek niet. Ik voelde me gevangen, een vlak personage in een verhaal zo oud als de straat.

Toen ik hem dit vertelde, zei hij dat het oneerlijk was dat ik hem een getrouwde man noemde. Ik snapte wat hij bedoelde. Hoewel het een feitelijke omschrijving is heeft het begrip van de getrouwde man in bepaalde, zichzelf als progressief omschrijvende cirkels een veeleer negatieve bijklank. Alsof getrouwd synoniem zou zijn voor onbetrouwbaar, of bekrompen.

Dat was hij niet. Toch wilde ik niet meer. Het was me te machteloos, ik had geen zin neergedrukt te worden door het gewicht van zijn huwelijk.

 

*

Dat het instituut huwelijk in al zijn gewichtigheid doorweegt , ervoer ik ook op mijn vaders huwelijk. Vreemd genoeg voelde ik me vooral bezwaard tijdens de legale bezegeling ervan op het gemeentehuis.

De lokale ambtenaar had zijn best gedaan om de amper tien minuten durende ceremonie cachet te geven met kaarsen, bloemenkransen, net niet rijmende verzen van de dorpsdichter, een uitgesponnen metafoor over een goede relatie als stormbestendig huis en een Spotify-playlist getiteld Hearts In Love. Gemeenplaatsen, zo goed bedoeld dat ik wel kon janken.

Toen de ambtenaar mij na het ondertekenen van de huwelijksakte handenschuddend gelukwenste, had ik niet meteen door dat hij het over mijn vaders verbintenis had. Voor een paar vervreemdende tellen blikte ik in een holle spiegel, ving een verkeerd afgesplitste versie van mezelf op.

De kracht van rituelen schuilt in hun herhaling, maar evengoed ook in hernieuwing. Daags nadien, een fles wodka delend in de duinen met het handjevol generatiegenoten aanwezig op het trouwfeest, proostend op de gezondheid van mijn vader en zijn kersverse vrouw, voelde ik me vrolijk, vrij.

*

Op de dag van mijn eigen, afgelaste huwelijksfeest trof ik mezelf aan op een plastic tuinstoel in Treptow, Berlijn, knabbelend aan een zwartgeblakerde worst in het gezelschap van beschonken, mij tot een uur geleden onbekende, zestigplussers.

Ondertussen liep mijn telefoonscherm vol met gebroken hartjes en tranen wegpinkende emoji’s; alsof dit de sterfdag van een dierbare was. Ergens was dat natuurlijk ook zo. De relatie die voor het leven had willen zijn was dood.

Terwijl de nieuwe geliefde van de bruine-kroeg-uitbaatster mij mierikswortelsoep opschepte, stak een storm op. Donkere wolken duwden de zon weg. Van onder het witte tentzeil zag ik hoe de bomen vervaarlijk doorbogen onder de wind, maar breken deden ze niet.

Een van mijn disgenoten haalde een balalaika tevoorschijn, sloeg enkele snaren aan, zette dan een nummer in dat meteen door de rest van de tafel herkend werd. Wieder diese scheiss Melodie Melodie Melodie, zong hij, zo breed grijnzend dat zijn sigaret bijna van tussen zijn lippen viel.

De vriend die me hierheen gebracht had en van wie ik altijd al woordeloos veel hield, zond me een zijdelingse blik, begon uit volle borst mee te zingen. Ik volgde zijn voorbeeld.

Een duizelingwekkende dankbaarheid spoelde door me heen. Ik zal nog vaker vliegen, verschroeien, vallen, het licht terugvinden.

Het leven is een in herhaling vallend liedje, welk narratief construct we ook verkiezen.