Bibliotheekseizoen
Met het eindelijk volop en onontkoombare uitvouwen van een kille, vochtige herfst is ook het bibliotheekseizoen weer geopend. Helemaal vol zitten de leeszalen. Als ik me van een plaatsje wil verzekeren, moet ik voor openingstijd al komen aanschuiven of online een plek reserveren.
Ik werk graag in bibliotheken. Omsingeld worden door zo’n nooit uit te lezen verzameling geeft me, afhankelijk van het aantal uur slaap achter de kiezen, een geborgen gevoel, dan wel een deprimerende, maar desalniettemin gezonde relativiteitszin. Het besef onmogelijk nog een steen te kunnen verleggen door aan die reeds oeverloze collectie nog enkele pagina’s toe te voegen kan bevrijdend zijn. Vooral de stoffige geur van een bib die zich nog niet heruitgevonden heeft als blits belevingscentrum heeft iets troostends.
De eerste, verdwaasde weken na een bijzonder pijnlijke relatiebreuk sleet ik bijvoorbeeld in de Koninklijke Bibliotheek aan de Kunstberg. De miljoenen historische manuscripten herinnerden eraan dat mijn hartzeer nog geen halve druppel op de hete plaat van de geschiedenis was. Daarbij dwong de stille concentratie in de grote leeszaal me eveneens emotieloos verder te werken, in plaats van ongebreideld te googelen hoelang het duurt voor je over iemand heen bent.
Wat me toen wel tegenviel en nu nog steeds stoort is de vroege sluitingstijd van openbare bibliotheken, hier in België. Weinig magischer dan een spaarzaam verlichte leeszaal die vlak voor bedtijd nog in een studieuze sfeer ondergedompeld is.
Een van mijn lievelingsbibliotheken om laat te blijven hangen is de Berlijnse staatsbibliotheek, vlak bij Potsdamer Platz. Hier werden de magistrale scènes uit Wim Wenders’ Der Himmel über Berlin opgenomen waarin de engelen in hun lange wintermantels door de verschillende verdiepingen beslaande bibliotheek struinen om te luisteren naar de innerlijke monologen van de stervelingen die er studeren, lezen, schrijven of zomaar voor zich uit staren.
Wanneer ik zelf in eender welke bib even opkijk en iemands blik vang, wens ik vaak dat ik ook de gave bezat te horen wat zich achter zo’n geconcentreerd gelaat afspeelt. Het heeft iets zeldzaam intiems, zoveel onbekenden stilzwijgend verzameld.
Al bieden de opengeslagen boeken soms ook al enig inzicht. Zo zat ik laatst naast een grijzende dame die op haar tafeltje kleppers met titels als De weg naar de werkelijkheid en Een extra heelal voor ons? had liggen. Op haar in papieren handdoekjes gewikkelde telefoon speelde een psychedelisch ogend filmpje dat ze beluisterde door haar oor vlak bij de telefoon te houden. Toen onze blikken elkaar kruisten, vroeg ze al schreeuwfluisterend of het geluid niet te veel stoorde. Ik verzekerde haar van niet, kon het dan niet laten te vragen of haar goed ingeduffelde toestel misschien in de toiletpot was getuimeld. Nee, zei ze, dat is tegen het afluisteren.
Misschien wist ze niet dat de engelen der eeuwigheid altijd meeluisteren. Of misschien wist ze het wel, maar was ze helemaal klaar met die bemoeizucht van het hiernamaals.
*
Godvergeten
Ik verbleef een week in een klooster. Lekker rustig en routineus schrijven daar, dacht ik. En dat was ook zo. Alleen dat religieuze aspect had ik misschien wat onderschat. Het stond nochtans duidelijk op de website: Gods huis, geen stiltehotel. Waar ik ook niet bij stilgestaan had, was het feit dat de kerkklokken zesmaal daags een kwartier lang luiden om op te roepen tot gebed. Aanvankelijk had het geluid iets onheilspellends, maar dat kon ook aan alle misbruikverhalen liggen die ik sinds de start van Godvergeten gehoord had.
Al snel werd het gedurige gebimbam echter vertrouwelijk. Even verlossend als kwellend, want als de klokken luiden moet je het werk neerleggen. Ook als je net halverwege een gedachte bent. Je werk zal immers nooit af zijn, wen er maar aan.
Van alle getijdengebeden waren de vespers mijn favoriet. Omwille van de meerstemmige gezangen, maar ook het afsluitende gebed. Altijd wetenswaardig om te ontdekken welke medemensen die dag onze mentale steun verdienden. Laten wij bidden voor onze politici, zo klonk het, opdat zij de vele problemen van deze tijd oplossen. Dan ging het via de armen en eenzamen naar de vele vluchtelingen, vooral zij die misbruikt werden. Daar stopte het gebed echter, wat ik toch wat abrupt vond, om niet te zeggen teleurstellend.
Tijdens de lunch, de enige maaltijd die niet in stilte of begeleid door panfluitmuziek dan wel Vivaldi genoten werd, had ik het erover met een andere gast. Zij en ik waren de enige gasten onder de zestig. “Niets is de mens vreemd”, verzuchtte ze terwijl ze haar met abdijkaas belegde boterham met mes en vork verorberde, “Nochtans is het simpel: wat gij niet wilt dat u geschiedt, doet gij dat ook een ander niet.”
Dat eerste citaat leek me een verbastering van het Latijnse ‘niets menselijks is mij vreemd’, waarbij je je kan afvragen of seksueel misbruik wel des mensen is. Maar doordat ze er meteen een Bijbelse spreuk op liet volgen, deed ik er het zwijgen toe. Vergeleken met Gods woord valt elk verweer al snel pover uit.
Daags nadien werd enkel nog smeerkaas uit kleffe pakjes geserveerd. Met blozende wangen en lange tanden at ik mijn brood; ik voelde me betrapt. Misschien moest ik gewoon de vlucht vooruit nemen. “Zuster Angelique, mag ik u wat vragen?”, begon ik wanneer ik een zeldzaam moment alleen was met de gastenzuster, “heeft u Godvergeten gezien?” Dat had ze niet, maar ze had er wel over gehoord. “Het is jammer dat die oude koeien weer uit de sloot worden gehaald”, zei ze, “de kerk is de slachtoffers ondertussen behoorlijk tegemoetgekomen.”
Zuchtend vouwde ze haar handen samen. “Kijk, God heeft de mens vrijheid gegeven, en het is aan de mens om te bepalen hoe hij met die vrijheid omspringt. Maar aan het eind zal hij wel verantwoording voor zijn keuzes moeten afleggen, net zoals wij allemaal.”
Toen ik aan het eind van de week de kloosterpoort achter me dichttrok, luidden de klokken. Ergens vond ik het rustgevend te weten dat er vandaag nog plekken bestaan waar elke dag hetzelfde is en blijft; tot in de eeuwen der eeuwen. Wel jammer dat de geest er niet bepaald lenig van wordt.
*
November in Berlijn
Zodra ik van de trein stapte, sloeg een ijskoude luchtstroom me bij wijze van welkomstgroet genadeloos in het gezicht. Weinig zin om mijn koffer vanuit de onderbuik van het monsterlijk grote, uit glas en staal opgetrokken Hauptbahnhof al die trappen op te slepen, nam ik de lift. Een man met een zware, laaghangende rugzak en een oudere dame met een groot fototoestel om haar nek stapten achter mij de cabine in. In plaats van ons op te tillen zakte de lift nog dieper het station in om vervolgens vlak voor de parkeergarage vast te blijven steken.
De man slaakte een gefrustreerde zucht. Ik trok mijn mondhoeken even op; we bevonden ons tenslotte in hetzelfde schuitje. Maar het maakte hem enkel kwader. Hij bonkte op de ondertussen trillende liftdeuren, schreeuwde Scheisse. Met een mengeling van angst en verwondering keek de dame naar hem; een beetje zoals je in de zoo naar een exotisch roofdier kijkt dat zich achter een net iets te laag muurtje bevindt. “Berlin ist ungeduldig”, fluisterde ze me dan toe.
November is hier de meest meedogenloze maand, want de eerste van vijf volledige maanden zonder zon; van dichte duisternis om half vier en een vochtige kilte die zich in je botten nestelt; van verkleumde tenen en verkilde harten.
De eerste vriend die ik ontmoette had relatieproblemen die net als de laaghangende Berlijnse hemel maar niet opklaarden. De volgende had nog steeds geen relatie, maar wel al een winterdepressie van jewelste. Een derde vond maar geen betaalbare woning. Een vierde had net besloten terug naar zijn thuisland te verkassen, na zeven jaar hier had het feestje lang genoeg geduurd.
De enige met wie het eigenlijk prima ging, was een vriendin die haar bijverdienste door het dak zag gaan; een kunstenares die tripmiddelen verkoopt om rond te komen. Hoe grauwer buiten, hoe groter blijkbaar de behoefte binnenin het licht te vinden. Die financiële voorspoed was niet de enige reden waarom het goed ging, nee, ze was zelf nog aan het nagenieten van een DMT-trip. DMT is een van de sterkste hallucinogenen die er bestaan; in enkele minuten word je zo ver heen gekatapulteerd dat de trip vaak omschreven wordt als een bijnadoodervaring.
Beangstigend vond ze dat niet. “Allerlei vriendelijke entiteiten toonden me dat ons hier en nu slechts een simulatie is. Het is een bijzonder cynisch spel, daarvoor hoef je het nieuws maar even aan te zetten, maar wel een spel.”
Voor ik kon opmerken dat de slachtoffers van alle woedende oorlogen weinig gebaat zijn met die zienswijze, vervolgde ze alweer: “Kijk, DMT is een lichaamseigen stof. Ook mijn Beierse grootmoeder heeft op haar sterfbed goed getript. Ze had het toen steeds over de man achter de computer.” Oma had Plato noch Descartes gelezen, van The Matrix had ze nooit gehoord en een computer had ze niet. Daarin zag mijn vriendin het bestaansbewijs van de gevoelde simulatie; de schaduwwereld; de demon die aan de knoppen zit. Die gedachte vond zij geruststellend, het hielp haar de donkerte verdragen.
Aan het eind van elke tunnel is er licht. Binnenkort is het weer lente.
Gewoon niet ongeduldig worden.