Selectie columns 2024

Netwerken

Onlangs was ik uitgenodigd op een sectordag voor het letterenveld waar de temperatuur van de literatuur opgenomen zou worden. Ontlezing, oprukkende technologie, dalende verkoop: aan hete hangijzers geen gebrek.

“Wie zit er vandaag eigenlijk nog op ons te wachten?”, vroeg een oudere schrijver van wie ik nog nooit gehoord had zich tijdens een panelgesprek hardop af.

Hij meende dat de literatuur naast een identiteits- ook een kwaliteitscrisis doormaakte. Er werden te veel nietszeggende romans uitgegeven die de wereld gewoon bevestigden, terwijl literatuur toch een ingreep op de werkelijkheid diende te zijn.

Na een dik half uur kreeg de enige vrouw uit het panel, een succesvol literair vertegenwoordiger, het woord. Niet iedereen worstelt om te overleven, wist zij. Zo doen de kleine uitgeverijen het best goed. Reden daarvoor is juist hun kleinschaligheid. Ze geven minder uit, houden minder rekening met de markt; ten slotte hebben ze geen aandeelhouders die winst verwachten.

Een recente nachtmerrie borrelde ongewild op: ik droomde dat mijn redactrice me meetroonde naar een meeting met malcontente aandeelhouders. We hebben nu wel lang genoeg gewacht op dat manuscript van jou, zeiden die, laat maar zitten.

De nare nasmaak van die herinnering spoelde ik in de foyer snel weg met een glas gratis wijn.

“Gaan we niet gewoon op café?”, zuchtte een jonge redactrice terwijl ze de verkrampte pogingen tot ongedwongen gekeuvel om ons heen gadesloeg.

“Ik snap die stijfheid niet”, vervolgde ze toen we in een bruine kroeg zaten waar Cyndi Lauper uit de speakers schalde, “literatuur draait toch om buitensporigheid; het grootse, meeslepende leven?”

Ik werd op slag een beetje verliefd op haar. Haar bevlogenheid werkte aanstekelijk want al snel stond de kroeg stampvol schrijvers, presentatoren, recensenten en programmatoren die eindelijk de riemen afgooiden.

De schoonheid van zo’n netwerkevenement schuilt in zijn ontaarding. Het is zeldzaam als een totale zonsverduistering, maar wanneer het licht dan uitgaat, wordt het wel echt donker. Zo merkte ik dat de jonge redactrice ineens wel erg dicht tegen me aan danste.

Net wanneer ik me naar haar toe wilde buigen, tikte iemand op mijn schouder. “Ik ben een grote fan van jouw columns”, zei een dichter die ik alleen van naam kende. Dan liet hij zijn stem zakken, trok een wenkbrauw op.

“Ik heb ook een open relatie, weet je.”

Een behoorlijk doorzichtige zet, maar wel een waar mee te werken valt.

Nadat de café-uitbater ons buiten geborsteld had gingen de redactrice en ik in de dichtstbijzijnde nachtwinkel Snickers en prosecco kopen; in ons kielzog de enigszins verwarde dichter.

Vervolgens wandelden we, bij wijze van plottwist waar weinig woorden aan vuil gemaakt werden, rechtstreeks naar haar hotelsuite. Aan het eind van de dag bleef dit toch een literaire happening; we konden maar beter ons steentje bijdragen aan de narratieve spanning ervan.

Als je wil dat er vandaag op je gewacht wordt, kun je in plaats van te palaveren over ingrepen op de werkelijkheid haar ook gewoon rechtstreeks, in real time, naar je hand zetten.

 

*

Wegvliegen

De voorbije weken waren niet mijn beste. Aldus besloot ik even uit mijn dagelijkse leven te verdwijnen om me toe te leggen op lezen, schrijven en nadenken. En waar beter verdwijnen dan in het Vlaamse hinterland, waar het zachte ruisen van de autosnelweg steeds als een sluier over de luisterrijke velden hangt. En waar mijn vader me zelfgemaakte lasagne voorschotelt, en zijn vriendin speciaal voor mij naar de dichtstbijzijnde nachtwinkel rijdt om sigaretten, dat ook.

Te midden van deze velden ontdekte ik een wandelroute met een tot de verbeelding sprekende naam. Driftig Vogues rokend sloeg ik het Troostpad in. Ik vond er mooie uitzichten, middelmatige gedichten over de dood en mij vervloekende wielertoeristen, maar al bij al weinig verlichting. Gelukkig was er wel een bankje om even te bekomen. Aldaar naar de einder turend moest ik onwillekeurig denken aan de Spaanse vrouw die 500 dagen alleen in een grot doorbracht. In die tijd las ze zestig boeken, dronk duizend liter water. Ze zag er zo gelukkig uit toen ze weer boven kwam, een brede grijns op haar gelaat. “Het is niet dat de tijd ondergronds sneller of trager gaat”, zei ze, “de tijd vergaat simpelweg niét, het is altijd vier uur ’s nachts.”

Toevallig of niet vertelde een vriendin me diezelfde dag nog over de Donkere Nacht Van de Ziel: een metafoor uit de analytische psychologie voor een ingrijpende ervaring waarbij iemand een moment van maximale vertwijfeling bereikt om vervolgens geestelijk te groeien. Enkel door de duisternis in de ogen te kijken, kun je haar verslaan. Zoiets.

God weet of ik daadwerkelijk op zo’n zuiveringsreis van de ziel vertrokken was, maar het bestaan van deze benaming bood wel troost. Als een bezetene begon ik This Jungian Life te beluisteren, een podcast van drie analysten met verslavend vredige stemmen. “Beetje gênant wel”, vatte ik vanop het bankje mijn huidige obsessie met deze psychologische content samen tegenover een vriend.

Even bleef het stil aan de andere kant van de lijn. “Hoezo?”, vroeg hij dan, “als ik mijn buren vijf keer per dag zie bidden kan ik best jaloers zijn. Zij hebben tenminste die vaste momenten nog om stil te staan, houvast te vinden. Wij moeten onze betekenis zelf maar bijeen zien te schrapen.”

Daags nadien trof ik om zes uur ’s ochtends mijn stiefbroertje en een vriend aan bij de voordeur. Ik was net wakker, zij gingen zo slapen. De mij onbekende, nog halfdronken jongeman nam me nieuwsgierig op. “Ben jij een van de piloten?”, vroeg hij, verwijzend naar het regionale gebruik om kamers onder te verhuren aan rondreizende piloten en stewards.

Was ik dat maar. Wegvliegen, de wereld rond, dat leek me wel wat.

Dan zou ik kunnen zien dat mijn problemen op planetair niveau niets voorstellen. Dat op dit moment in de geschiedenis bezwaarlijk iemand nog lijkt te weten hoe te leven. En dat na elke nacht de zon opnieuw opkomt, dat ook.

 

*

Weimarjaren

“Denk je dat leven daarop neerkomt?” vroeg hij over de afwas, “één slepend verzoek om uit de klauwen van een depressie te blijven?”

Het was kort voor middernacht. Met verdacht veel ijver was ik begonnen met het maken van vijf liter soep. Terwijl ik met de wortels bijna ook een vingerkootje verhakselde, had ik hem verteld die dag door vervelende vlagen van zwaarmoedigheid bevangen te zijn geweest.

Opgelucht had hij toegegeven zich ook beroerd te voelen. Sport, sauna, wiet, seks, Proust noch opioïden: geen van zijn gebruikelijke vluchtroutes had verlossing geboden. Dus was hij tot een gat in de nacht opgebleven om genocidevideo’s te bingen.

De gerieflijkheid van ons huidige bestaan was een voortdurend vallen, weg van al onze zonnen.

“Dit zijn onze Weimarjaren”, had hij scheef grijnzend besloten.

Het goede aan deze huiselijke ontboezemingen is dat geen van ons ze persoonlijk neemt. Want wij wonen weliswaar samen, maar we delen geen lakens.

Het voorbije half jaar had ik vier verschillende huisgenoten, en welbeschouwd heb ik er momenteel twee. Eentje in Berlijn, waar ik met bovengenoemde man, een spinninginstructeur uit New Jersey met een doctoraat in de vergelijkende literatuur, een ruime flat betrek die niet van een stofzuiger, maar wel van een blender voorzien is. En eentje in Brussel, waar de vriendin met wie ik samenwoon te mijner vervanging nu gezelschap heeft van de schrijfster met wie ik deze pagina deel, maar dat is weer een ander verhaal.

Samenwonen met mensen die liefdespartner noch familie zijn wordt weleens als hinderlijk of meelijwekkend gezien, zeker als je de dertig voorbij bent. Het staat natuurlijk chiquer een eigen woning te bezitten. En mag je jezelf wel volwassen noemen als je nog nooit gerenoveerd hebt?

Mij bevalt deze woonvorm voorlopig wel. Behalve bijstand bij tegensputterende doorspoelbakken voorzagen mijn huisgenoten me elk op hun manier al gul van voedsel, advies en verhalen.

Zo werd mijn huidige huisgenoot aan mij voorgesteld als de man uit New Jersey die de naam van mijn nieuwe minnaar in rode inkt op zijn dijbeen draagt. Die tatoeage had hij tijdens een van hun eerste ontmoetingen laten zetten, in een opwelling. Een kostelijke anekdote, dacht ik.

Maar ook wanneer je het romantische huisje-tuintje-boompje ontmantelt betekent samenwonen iemand dagelijks moeten verdragen, wat in achtennegentig procent van de gevallen toch enig doorzettingsvermogen vergt.

Heer doctor de fitnesscoach is dan wel gespecialiseerd in pessimistisch realisme, hij is en blijft een Amerikaan. Even erudiet als in zijn defaitisme, is hij buitensporig in zijn bezieling. Als geen ander weet hij wie er eigenlijk het bijltje bij neer wil gooien bij de les te houden, zichzelf incluis.

Aldus schiet ik nu zowat iedere nacht wakker van zijn door mijn onderbewustzijn galmende stem, een van zijn geliefde mantra’s reciterend. Always be accelerating. Access the simian intelligence. Gratitude is the attitude.

Ook zonder de lakens met je te delen kan iemand onder je huid kruipen. Dat had ik kunnen zien aankomen, die tattoo was natuurlijk een niet mis te verstaan voorteken.

Misschien is dat wat leven finaal inhoudt: veel verschillende uitvalswegen, maar geen achterdeurtjes.

 

 

*

Intieme tijd

De post die ik van lezers mag ontvangen, laat zich doorgaans in twee genres opdelen: er zijn de adviesbrieven en de vrijmoedige voorstellen. In beide gevallen menen de afzenders me hiermee een dienst te bewijzen, misschien wel mijn leven te verbeteren.

Zo werd ik na het vermelden van mijn slapeloosheid overspoeld met tips om tot rust te komen. De meest originele aanbeveling kwam van een dame die me zo overspannen achtte dat het enige dat nog soelaas zou bieden het herprogrammeren van mijn zenuwstelsel was. Ik moest overdag in een verduisterde kamer gaan liggen zonder afleiding: zeker geen schermen, maar ook niet lezen of naar muziek luisteren. Gewoon liggen, zíj́n, níét nadenken.

Minder eerbaar, maar even aandoenlijk was het bericht van een man die zichzelf als Bart voorstelde. Hij had gelezen dat ik vriendinnen met sugardaddy’s had. Zocht ik er toevallig zelf ook eentje?

Vijfgangendiners, reisjes naar Aruba en platinum kredietkaarten, mij toegestopt om wat moois mee te kopen, dansten verlokkelijk voor mijn geestesoog.

Helaas bleek Bart gewoon op zoek naar een sekswerker, en nog een goedkope ook. Voor twee uur van wat hij ‘intieme tijd’ noemde, bood hij 300 euro.

Ik zei hem meer te verdienen met het vullen van een kwart krantenpagina. Eerbaarheid is niet per se wat waar ik erg aan hecht, maar ik voelde me toch beledigd. Als ik me achter zijn idee zou scharen dat het lichaam van een jonge vrouw begeerlijker is dan haar brein, dan toch zeker niet voor een paar honderd euro?

Voor die prijs kon ik wel een stimulerend gesprek van zo’n vijfenveertig minuten aanbieden, bijvoorbeeld tijdens een lunch. Tenslotte is een bedreven conversatiepartner stilaan een schaarser goed dan een gepolijst lijf.

De man zei dat gesprekken voeren geen probleem was, maar dat het hem vooral ging om wat daarop volgde. Vervolgens stelde hij 600 euro voor. Het dubbele van wat hij zijn vorige sugarbaby, een Erasmus-studente, betaald had, liet hij niet na mee te delen.

Toen ik niet meteen antwoordde, bewees Bart wel degelijk over een lenige, mercantiele geest te beschikken.

700 euro, als ik hem op termijn thuis zou ontvangen. Dat dit voor de eerste ontmoeting niet ideaal was, snapte hij ook wel. Hij stuurde een link naar een tweesterrenhotel door, alsof dat me zou overhalen om voor een bedrag dat niet eens mijn huur dekte de lakens te delen met een man die over zijn leeftijd loog, zijn vrouw bedroog, en eruitzag alsof hij een zwakke rug had.

Ik antwoordde met een link naar de website van een smaakvol escortbureau dat fatsoenlijke prijzen hanteerde.

“Tja”, zei Bart, “ik wil juist weg van die professionals, weer op zoek naar wat echte verbinding.”

“Waarom dan niet de band met je vrouw aanhalen”, wilde ik weten, “of gewoon de scheiding aanvragen?”

“Nogmaals”, repliceerde hij, “praten is niet mijn prioriteit. Ik wil je niet opjagen, maar kunnen we tot een deal komen?”

Ik zette mijn telefoon uit, deed de gordijnen dicht en ging op bed liggen. Urenlang verroerde ik me niet. Dat hielp, enigszins.

*

Serieus slapeloos

Alsof hij een boomstronk in zijn armen hield, beschreef mijn nieuwe geliefde mijn gewoonte steeds een slaapmasker en oordoppen te dragen. Lachend voegde hij eraan toe dat het niet erg romantisch was, maar dat het niet gaf.

Ik voelde me betrapt, een beetje beledigd. Wakker liggen naast iemand die vredig ligt te knorren was anders ook niet de definitie van romantiek.

‘De wereld is verdeeld in mensen die kunnen slapen en mensen die niet kunnen slapen’, schrijft Marie Darrieussecq in Pas dormir.

Mijn vader, zelf niet bepaald een goede slaper, vertelde me dat mijn moeder ook altijd met oordoppen sliep. Als studente zou ze tegen de vogels in de boom voor haar slaapkamerraam zijn uitgevaren. Ze floten te luid. Een anekdote die mijn almaar ongrijpbaardere herinnering aan haar een ruggensteuntje geeft; een anekdote waar ik me aan vastklamp zoals de slapeloze aan elk trucje, elke tip, in de hoop het enigma van de nachtrust te doorgronden.

‘Ik luister enkel naar de serieus slapelozen’, alsnog Darrieussecq, ‘want zij dansen met de dood.’

Breng het uur van de wolf iets te vaak met zware oogleden, maar onvermoeibaar doorrazende gedachten door en het is verleidelijk de ronkende schaduwmassa naast je te verachten. Je eigen geest daarentegen – snap je nu, of is het een hypnagoge hallucinatie, wie zal het zeggen – is zo geniaal, zo getergd, dat je vanzelfsprekend niet zomaar indommelt. Slapeloosheid veredelen is natuurlijk een laatste toevlucht. Niets dat de slapeloze meer wil dan slaap. Verlangen komt voort uit tekort.

Om valium niet de enige vervuller van mijn verlangen te laten zijn, doe ik nu voor het eerst in mijn leven een serieuze gooi naar het stonerschap.

Eén, misschien twee trekjes van een joint volstaan. Gaar als een garnaal verdwijn ik urenlang in een zwart gat; verlies, eindelijk, het bewustzijn. Vervelend zijn alleen de nevelen waarin de volgende dag gehuld gaat, een bijwerking die ik herken van eerder uitgeprobeerde hooikoortspillen. Maar anders dan die antihistaminica geeft wiet me geen nachtmerries. Pick your poison, denk ik dan.

Uiteraard is de hele premisse dat een tekort weggeconsumeerd kan worden problematisch. Maar ik ben ook maar een product van deze samenleving; een samenleving waarin een op de drie mensen met acute slaapproblemen kampt; een samenleving die zo’n persoonlijke ervaring tot een optimaliseerbaar fysiologisch proces terugbracht; een samenleving die wat eens mythisch was medicaliseerde.

Ik zou nu lekker freudiaans een boom kunnen opzetten over hoe die slapeloosheidsepidemie een weerstand tegen het onderbewuste onthult, hoe we de vergetelheid van drugs verkiezen boven de confrontatie met onze eigen angsten en lusten, aan ons onthuld in onze dromen, hoe we het loslaten, de overgave die bij de niet-synthetische slaap hoort, en die daarin op de dood lijkt, verleerd hebben.

Of ik kon gewoon mijn oordoppen weer indoen en schaapjes tellen, suggereerde mijn geliefde. De nacht verbuigt alle begrippen, rekt gevoelens onherkenbaar op.

Daarbij, zo besloot hij, zijn boomstronken best schattig.