Molenbeek, de hoofdstad van het vrouwenvoetbal

© Franky Verdickt

Dat Molenbeek een broeiplaats voor jihadi’s zou zijn, weten we ondertussen. Maar dat het ook een broeiplaats is voor vrouwelijk voetbaltalent schreef nog niemand. FC Molenbeek Girls is een voetbalclub waar ambitieuze vrouwen samenspelen en taal noch hoofddoek een barrière vormt.

 

“Ferme ta gueule!” Wie dacht dat meisjesvoetbal soft en gezapig was, heeft er niets van begrepen. Op de laatste dinsdagavond van het jaar overstemt het opgewonden gekrijs in het Molenbeekse Sippelbergstadion de voortijdige vuurwerkknallen ruim; voetbal betekent voor de meeste meisjes hier veel meer dan zomaar vrijblijvend een balletje trappen. Aanvalster Anissa (21 jaar) veegt het zweet van haar voorhoofd en brengt haar verwaaide paardenstaartje op orde. “Ik zou maar wat graag een topvoetbalster worden. Het is belachelijk dat voetbal enkel voor jongens zou zijn. Je suis pas d’accord.’

Ook coördinator Ramzi Bouhlel (40 jaar) was die mening toegedaan toen hij FC Molenbeek Girls oprichtte. “Als sportanimator bij Buurtsport Brussel viel het mij op dat veel meisjes echt goed konden voetballen. Maar ze konden nergens terecht. Er was de damesploeg van Anderlecht, maar dat is elitevoetbal. Ik wou een club die voor alle meisjes toegankelijk was.” Aanvankelijk organiseerde Bouhlel trainingen voor meisjes in samenwerking met FC Jeunesse Molenbeek, maar in 2013 besloot hij er, samen met een handvol vrijwilligers, een aparte, 100 procent vrouwelijke club van te maken.

 

Terroristen

 

Vandaag telt FC Molenbeek Girls 120 speelsters tussen de 6 en 35 jaar, waarvan vijf ploegen in competitie en drie recreatief voetballen. En de inschrijvingen blijven binnenlopen. “Het stopt maar niet. Het succes van onze club ligt in haar exclusieve vrouwelijkheid; ergens anders moeten meisjes altijd gemengd spelen.” Zo’n 60 procent van zijn speelsters heeft Marokkaanse roots, schat Bouhlel. “Maar we hebben alle nationaliteiten hier: Belgisch, Afrikaans, Pools, Portugees; iedereen is welkom.”

Hoe opgetogen Bouhlel is over de populariteit van vrouwenvoetbal, het alsmaar stijgende ledenaantal van FCG baart hem ook enige praktische zorgen. Zijn club is namelijk aangewezen op erg beperkte middelen. De gemeente Molenbeek stelt de meisjes nu drie keer per week een speelveld ter beschikking. Een eigen clubkantine hebben ze niet. De kleedkamers en douches kunnen ze enkel gebruiken als die niet worden bezet door de jongens van FC Jeunesse.

Niet dat de meisjes van Dames P2, de vrouwenploeg die in 2de provinciale speelt, daar de pret door laten bederven. In hun bedompte kleedhok van drie op vier overstijgt een gezellige drukte de muffe zweetvoetengeur met gemak. Lange haren worden bijeen gebonden of samengehouden onder een hoofddoek – daar maakt niemand hier een probleem van – sokken worden opgetrokken, nieuwe voetbalschoenen gekeurd. “Hé, komen we op de televisie?”, ontketent er één een giechelgolf wanneer ze de fotograaf in de gaten krijgt.

De meisjes zijn ondertussen wel enige media-aandacht gewend. Sinds de terreurdreiging Brussel in haar greep houdt en Molenbeek in het vizier kwam als ‘Europese hoofdstad van jihadi’s’, kwam de verzamelde wereldpers, van Al Jazeera tot The Washington Times, al een kijkje nemen op hun voetbalveld.

Vrouwenvoetbal op zich is al niet evident, laat staan in een gemeente die bekendstaat om haar hoge graad van terreurverdachten. Door dreigingsniveau vier in Brussel en de vele huiszoekingen in Molenbeek die daarmee gepaard gingen, lagen de trainingen een tijdje stil. “Sommige meisjes geraakten gewoon hun huis niet uit omdat de politie alles had afgezet. Anderen werden bang en zijn niet meer komen opdagen. Het was niet gemakkelijk”, vertelt Bouhlel.

Terreurdreiging of niet, ondertussen ging de competitie wel door. “Ik vond niet dat we zomaar forfait konden geven. We moesten juist tonen dat we niet bang waren.”

“Het imago van Molenbeek is erg verslechtert. Als wij nu een wedstrijd op verplaatsing spelen, worden we vaak vies bekeken door de andere ploeg. “Ah, daar zijn de terroristen”, roepen ze dan. Terwijl er evengoed Vlaamse meisjes bij FC Molenbeek Girls spelen.”

“Het zijn enkel de verafgelegen ploegen die af en toe naar deden, hoor”, haast kapitein Imane El Rhifari zich te zeggen. “Zij kennen Brussel niet.” De vijftienjarige Imane is kapitein van Dames P2, “omdat ik met iedereen goed overeenkom en drie talen spreek.” Zo vertaalt ze de Nederlands- en Engelstalige instructies van trainer Hossein haast synchroon naar het Frans voor haar ploeggenotes. Wanneer de meisjes even te veel koffieklets houden, roept Imane hen tot de orde. “Hé, les filles! Haut les genoux!”

Imane heeft Marokkaanse roots en is moslima. Ze is gelovig maar draagt geen hoofddoek, dat hoeft niet van haar ouders. “Zij hebben mij nooit iets willen opdringen”, zegt ze. Over de aanslagen in Parijs en de terreurdreiging in Brussel is bij haar thuis uitgebreid gediscussieerd. “We konden bijna niet anders; die antiterreuracties waren in onze straat, de rue Ransfort. Maar of ik bang ben? Nee. We hebben er genoeg over gepraat, nu zijn we het beu. Het is gepasseerd, wij gaan verder.”

Bouhlel: “Er zit zoveel talent in Molenbeek; we moeten dat een kans geven om zich te ontwikkelen. Deze club dient als integratievoorbeeld.” Zo zijn vorig seizoen drie speelsters van FC Molenbeek Girls gescout door de Red Flames, de nationale damesvoetbalploeg. Ook de topscorer en 17-jarige Molenbeekse Syrine promoveert binnenkort; naar de eerste klasse bij FC Fémina White Star Woluwe. Zodra ze volledig gerecupereerd is van een zwaar auto-ongeluk, vertrekt ze. Of het altijd al haar droom was om profvoetbalster te worden? Ze fronst haar wenkbrauwen alsof dat een wel érg rare vraag is. “Daar heb ik eigenlijk nog nooit over nagedacht. Maar het zou wel leuk zijn als ik van voetballen mijn job kan maken.”

Haar tweetalige vriendin en spring-in-‘t-veld Dounia is erbij komen staan. “Natuurlijk wel! Willen we dat hier niet allemaal?” Arm in arm hollen ze het veld weer op. Behendig voeren de meisjes ingewikkelde passeer- en haakbewegingen uit tot de bal weer op zijn stip aan de overkant van het veld ligt.

Langs de zijlijn kijkt Nasser Abdellah goedkeurend toe. De Brusselaar met Algerijnse roots loopt stage als trainer bij FC Girls en benadrukt erg begaan te zijn met de Molenbeekse jeugd. Overdag staat hij voor de klas, ‘s avonds op het voetbalveld. “Sport is een belangrijke investering in onze jeugd”, gelooft hij. “Een jaar lidgeld bedraagt hier 220 euro; dat is niet zo veel, als je de juiste prioriteiten stelt. Het is toch veel belangrijker dat kinderen hier zo goed mogelijk hun leven kunnen uitbouwen, in plaats van al dat geld uit te geven aan die jaarlijkse terugreis naar Marokko of Turkije. Ouders moeten ophouden met hun kinderen te vertellen dat hun moederland niet hier is; dat beslissen ze zelf wel.”

In het Sippelbergstadion lijken complexe identiteitskwesties gereduceerd tot een rood-zwart voetbaltruitje; iedereen is hier een Molenbeek Girl. En daarvoor komen de ouders langs de zijlijn supporteren. “Mijn dochter heeft al van alles gedaan: karate, judo, taekwondo. Ze heeft nooit graag met poppen gespeeld. Elk zijn plezier, hé”, vertelt Mostafa vanop zijn vaste plek. “Voetbal wordt nog vaak gezien als een mannensport. Daarom zijn wij hier, om onze meisjes aan te moedigen en te tonen dat wij hun trainingen belangrijk vinden”, valt Badia hem bij.

 

Haantjesgedrag

 

Alle vooroordelen ten spijt, bestaat er dan toch niet zoiets als het ultieme verschil tussen mannen- en vrouwenvoetbal? “Vrouwen spelen technischer, tactischer. Mannen zijn fysieker”, weet Bouhlel uit zijn ervaring als trainer voor beide seksen. Maar het grootste verschil zit volgens hem in de hoeveelheid geld en media-aandacht die met beide gemoeid gaan; de astronomische bedragen die aan mannenvoetbal worden gespendeerd, leiden onvermijdelijk tot haantjesgedrag en valsspelerij.

Trainer in spe Abdellah ziet het simpeler: “Vrouwen huilen wanneer ze zich van iets willen bevrijden, terwijl mannen sneller agressief worden. Ziedaar de korte samenvatting van wat er fout loopt in onze samenleving: deze wereld is te mannelijk.”